Recente artikelen

Belangrijke artikelen voor Zaltbommel in het kader van de voorgenomen Reparatie van Bestemmingsplan Waluwe III

 

“De verantwoording van het groepsrisico rondom risicovolle bedrijven is in driekwart van de onderzochte bestemmingsplannen onvoldoende.”  ​

“De verantwoording van het groepsrisico rondom risicovolle bedrijven is in driekwart van de onderzochte bestemmingsplannen onvoldoende.” Die conclusie is te lezen op pagina 4 van het rapport dat NRC boven tafel heeft gehaald.

https://nos.nl/artikel/2322357-ministerie-van-binnenlandse-zaken-hield-kritisch-inspectierapport-tegen.html

 

‘De borging van de nationale ruimtelijke belangen.

Balans van de ILT onderzoeken 2012 – 2017 naar de werking van het systeem van de ruimtelijke ordening

Rapport over de doorwerking van de nationale belangen en naleving van de daarop geënte regels uit AMvB’s, gepubliceerd door Inspectie Leefomgeving en Transport

De bijlage I uit het rapport kunt u hieronder vinden als u klikt op de link.

Bijlage-Nationale-Ruimtelijke-Belangen-Borging-Nationale-Belangen

Enkele passages uit de bijlage vindt u hieronder :

Aanleiding voor dit rapport Dit rapport kijkt naar de doorwerking van de nationale ruimtelijke belangen en naleving van daarop geënte regels uit AMvB’s, zoals het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), in de ruimtelijke plannen van medeoverheden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) uit 2012 staat dat het Rijk systeem- of themagerichte onderzoeken zal uitvoeren die de informatie moeten opleveren over de feitelijke toepassing van wet- en regelgeving in bestemmingsplannen en provinciale verordeningen. Met die informatie kan beoordeeld worden of het systeem op dat punt werkt zoals het bedoeld is. Met dit rapport geeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een overzicht van de door haar in dat kader uitgevoerde onderzoeken van 2012 tot 2017. Aan de beleidsdirectie (op dat moment IenM/DGRW) is gemeld dat er na afloop van het jaar 2017 een beknopte balans van deze onderzoeken zou worden opgemaakt. Deze resultaten kunnen tevens worden gezien als een aanvulling op die van het PBL-rapport Monitor Infrastructuur en Ruimte 2016, die in 2016 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Hieruit komt naar voren dat doelstellingen uit de SVIR voor een deel gehaald zijn en voor een deel nog niet. De onderzoeken van de ILT laten specifiek zien hoe het is gesteld met de naleving van onderliggende regelgeving.
3
Onderliggend onderzoek De onderliggende onderzoeken behelzen feitelijke toetsing van vastgestelde bestemmingsplannen (en soms provinciale verordeningen) aan rijksregelgeving, maar zijn verder verschillend van aard en omvang. In totaal zijn tegen de zeshonderd plannen en de twaalf provinciale verordeningen onderzocht. Niet alle Barro-titels zijn in deze periode onderzocht. Er zijn diepteonderzoeken en zogenoemde QuickScans uitgevoerd. In diepteonderzoeken zijn doorgaans grotere aantallen plannen onderzocht, tot maximaal enkele honderden en er zijn bijvoorbeeld interviews gehouden met betrokkenen. De resultaten zijn in dat geval geverifieerd bij het bevoegd gezag (gemeenten en soms provincies). In de QuickScans is het aantal getoetste bestemmingsplannen doorgaans kleiner (maximaal 20). Wanneer gaandeweg het onderzoek geen wezenlijk nieuwe informatie naar boven kwam is de QuickScan beëindigd, al dan niet met een aanbeveling voor een aanvullend diepteonderzoek. Bij de QuickScans is via desktop-research alleen gebruik gemaakt van openbare bronnen zodat er geen toezichtlast ontstond voor de medeoverheden. Sommige nationale belangen hebben betrekking op een klein aantal bestemmingsplannen. In die gevallen zijn alle plannen onderzocht, zoals bijvoorbeeld de 6 plannen bij de Parallelle Kaagbaan. Onder de noemer van QuickScan is daar een omvattend desktop-onderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn op verschillende tijdstippen in de afgelopen zes jaar uitgevoerd. Gegeven de wettelijk voorgeschreven (10 jaar) en feitelijke (vaak langere) herzieningscyclus van bestemmingsplannen worden de conclusies als voldoende actueel beschouwd. De afzonderlijke rapportages en signalen zijn over de afgelopen jaren steeds aan beleid c.q. de bewindspersoon aangeboden. Waar een onderzoek in een enkel of enkele gevallen op acute risico’s of dreiging stuitte, is uiteraard het bevoegde gezag wel geïnformeerd.

Opbouw van het rapport Hoofdstuk 1 geeft de conclusies uit de onderzoeken weer. Een samenvattend overzicht van de onderliggende onderzoeksrapporten en toezichtsignalen staat in Hoofdstuk 2. Het kader en de toegepaste werkwijze staan in hoofdstuk 3. Bijlage 1 bevat een overzichtstabel van de onderzoeken. Bijlage 2 bevat de toezichtsignalen en de bronvermelding van de rapportages.

4

Hoofdstuk 1 Beeld uit de onderzoeken

De nationale ruimtelijke belangen komen in de knel De balans over de in de afgelopen zes jaar uitgevoerde onderzoeken laat zien dat nationale ruimtelijke belangen zoals infrastructuur, ecologische verbindingen, cultuur en hoogwaterveiligheid regelmatig onvolledig doorwerken in bestemmingsplannen, waardoor deze belangen in de knel komen. Voorbeelden: Externe veiligheid inrichtingen: De verantwoording van het groepsrisico rondom risicovolle bedrijven is in driekwart van de onderzochte bestemmingsplannen onvoldoende.

Defensie: De geluidszones rond militaire luchtvaartterreinen werken in een derde van de gevallen niet goed door in het bestemmingsplan.

Waddenzee: Het vereiste onderzoek naar effecten van ontwikkelingen op de Waddenzee wordt niet of met een beperkte scope ingevuld.

Het systeem werkt niet vanzelf Het totaalbeeld van de onderzoeken is dat het systeem van ruimtelijke ordening op punten onvoldoende werkt. Met name als sprake is van verschillende belangen tussen gemeenten, provincies en Rijk verliezen medeoverheden de nationale belangen regelmatig uit het oog, ondanks de wettelijke verankering in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en in andere AMvB’s, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Mogelijk schiet ook het Rijk zelf voor een deel tekort, daar waar regels kennelijk te ingewikkeld zijn of zo ervaren worden. De conclusie is dat de doorwerking van de nationale ruimtelijke belangen in het systeem van de ruimtelijke ordening niet vanzelf goed gaat. Voorbeelden:

Opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik: Het blijkt dat gemeenten voor dit onderwerp niet vanzelfsprekend rekening houden met de geldende regelgeving bij het vaststellen van bestemmingsplannen.

5

Waddenzee: Uit vraaggesprekken komt het beeld naar voren dat gemeenten worstelen met belangenafwegingen maar ook met de interpretatie van de regelgeving. De provincies zien voor zichzelf nauwelijks een toezichthoudende rol op dit nationale belang, terwijl het Rijk daar wel van uitgaat. Rijksvaarwegen: Gemeenten geven aan de normstelling ingewikkeld te vinden.

Risico’s De nationale ruimtelijke belangen zijn erg divers en daarmee ook het maatschappelijk effect daarvan. Dit blijkt ook uit de verscheidenheid van de onderzochte thema’s. De risico’s liggen op het terrein van: • Veiligheid (Opslag van ontplofbare stoffen, Externe veiligheid inrichtingen en -buisleidingen, Rijksvaarwegen, Grote rivieren, Primaire waterkeringen) • Gezondheid (Grondwaterbeschermingsgebieden, Regionale Luchthavens, Defensie) • Financiën of economie (Elektriciteitsvoorziening, Parallelle Kaagbaan, Rijksvaarwegen, Grote rivieren) • Cultuur en natuur (Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van unieke universele waarde, Waddenzee, Project Mainportontwikkeling Rotterdam) • Vertrouwen in instituties, analoog aan wat in de SVIR genoemd wordt “zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming”.

Mogelijke oorzaken De uitgevoerde onderzoeken waren in eerste instantie gericht op het vaststellen van feitelijke gebreken, niet op analyse van oorzaken. Toch komen uit het totaalbeeld van de onderzoeken, bijvoorbeeld uit interviews, wel indicaties voor mogelijke oorzaken. Zo blijkt de regelgeving vaak als ingewikkeld te worden ervaren of niet dan wel onvoldoende bekend te zijn, of er worden fouten gemaakt. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat verschillende belangen en rolopvattingen soms leiden tot een mindere doorwerking van rijksdoelen c.q. naleving van rijksregels.

6

Hoofdstuk 2 Overzicht per onderzoek
Dit hoofdstuk geeft per onderzoek aan wat het maatschappelijk belang is, om welke risico’s het gaat en wat de hoofdconclusies van het onderzoek zijn. Vermeld is telkens het nationale belang en de AMvB of Barrotitel.
De onderzoeken zijn conform de IBRA gerangschikt naar het soort risico dat met het onderwerp gemoeid is: veiligheid, gezondheid, financieel-economisch, natuur en cultuur. In bijlage 1 is een schema van de onderzoeken opgenomen met de bronvermelding van onderliggende rapporten en de risicocategorie.
Meer informatie over de werkwijze en de onderzoekaanpak staat in hoofdstuk 3 van dit rapport.

7

Opslagen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (2012)
SVIR: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, water, bodem), beschermen tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s
Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (Wecg)
Belang
Bij een explosie van ontplofbare stoffen, in dit geval voor civiel gebruik, kunnen veel slachtoffers vallen. Gemeenten hebben daarom de opdracht veiligheidszones rond deze opslaglocaties in bestemmingsplannen vast te leggen.
Risico
Een ramp (zoals bijvoorbeeld in 2000 in Enschede) kan gebeuren als kwetsbare functies te dicht op een opslag van ontplofbare stoffen worden gerealiseerd (bijvoorbeeld nabij munitiemateriaal of vuurpijlen voor maritiem gebruik). Als de veiligheidszones niet zijn opgenomen in de bestemmingsplannen en er geen gebruiks- beperkingen worden gesteld in de veiligheidszones, is dit in potentie een groot risico.
Conclusies ILT onderzoek
De veiligheid rond de opslag van ontplofbare stoffen was in driekwart van de bijna veertig onderzochte gevallen planologisch niet geregeld. In de helft van de gevallen bleek ook de realisatie van kwetsbare functies mogelijk en op een derde van de locaties bleken die functies daadwerkelijk aanwezig, waardoor sprake was van saneringssituaties. Deze zijn gemeld aan het bevoegd gezag. De regelgeving voorziet er niet in alle opzichten in dat kwetsbare functies binnen de veiligheidszones worden uitgesloten. Voor burgers zijn deze risico’s niet inzichtelijk.

8

Externe veiligheid inrichtingen (2016)
SVIR: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, water, bodem), beschermen tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)
Belang
Door een calamiteit met gevaarlijke stoffen binnen een inrichting kunnen ook veel slachtoffers buiten de inrichting vallen. Gemeenten moeten daarom in het bestemmingsplan regelen dat binnen de risicocontour 10(-6) geen kwetsbare functies worden toegestaan en dat binnen het invloedgebied het groepsrisico wordt verantwoord.
Risico
Een incident met opgeslagen gevaarlijke stoffen kan leiden tot een ramp als kwetsbare functies te dicht daarop gesitueerd zijn. Te denken valt aan een explosie, een brand, of een wolk met vrijkomende gassen. Ook al hebben bedrijven hun vergunning op orde, als bestemmingsplannen toestaan dat te dicht op de inrichting kan worden gebouwd en maatregelen uitblijven in geval van een calamiteit worden onnodige risico’s gelopen met mogelijk doden of gewonden tot gevolg.
Conclusies ILT onderzoek
Het Bevi werkt onvoldoende door in bestemmingsplannen. Een derde van de 65 onderzochte plannen sluit kwetsbare functies binnen de plaatsgebonden contour niet uit. In driekwart van de onderzochte gevallen is de verantwoording van het groepsrisico onvoldoende. Vanwege het maatschappelijk risico heeft de ILT nader onderzoek naar de oorzaken hiervan aanbevolen

Voorbeeld

In deze gemeente zijn binnen het invloedgebied van een LPG tankstation (zorg)woningen gepland. De gemeente geeft zelf aan dat het groepsrisico onvoldoende verantwoord is in relatie tot uitwerkingsplannen en nieuw advies van de brandweer nodig is. Desondanks worden de woningen mogelijk gemaakt met een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan.

Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (2017)
SVIR: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen
Barrotitel 2.9: Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
Belang.
Buisleidingenstroken die door de Minister zijn aangewezen als voorkeurstracé voor het vervoer van gevaarlijke stoffen dienen gevrijwaard te blijven van daarvoor belemmerende activiteiten.

Risico
Risico is dat nieuwe bestemmingen kunnen worden gerealiseerd die het voorkeurstracé van de buisleiding belemmeren. Er kunnen bijvoorbeeld knelpunten ontstaan doordat het bestemmingsplan kwetsbare objecten (bijv. een woning) mogelijk maakt binnen de veiligheidsafstanden van de buisleiding.

Conclusies ILT QuickScan
Van de 9 onderzochte bestemmingsplannen is in 6 bestemmingsplannen geen doorwerking van het Barro 2.9 te herleiden. Dit wil overigens niet zeggen dat er in het zoekgebied feitelijk belemmerende activiteiten planologisch mogelijk worden gemaakt maar het risico is niet uitgesloten dat de gemeente een tracé vaststelt, dat een knelpunt veroorzaakt.